Voedselzekerheid, duurzame landbouw, economische weerbaarheid en de transitie naar toekomstbestendige voedselsystemen zijn vraagstukken die geen enkel land alleen kan oplossen. Nederland werkt daarom via multilaterale organisaties aan internationale afspraken, kennisontwikkeling en beleidsvorming. In dit dubbelinterview blikken LVVN-attaché Yvonne van Laarhoven en LVVN-raad Jasper Dalhuisen terug op hun werk in Rome en Parijs, en op de waarde van multilaterale samenwerking in een tijd waarin internationale verhoudingen veranderen.
LVVN-raad Jasper Dalhuisen en LVVN-attaché Yvonne van Laarhoven
Yvonne is sinds 2022 LVVN-attaché bij de Permanente Vertegenwoordiging van het Koninkrijk der Nederlanden bij de VN-instellingen voor voedsel en landbouw in Rome: FAO, WFP en IFAD. Jasper werkt sinds 2021 als LVVN-raad bij de Permanente Vertegenwoordiging van het Koninkrijk der Nederlanden bij de OESO in Parijs. Waar de organisaties in Rome zich richten op mondiale voedsel- en landbouwvraagstukken, werkt de OESO vooral met analyse, beleidsvergelijking en economische onderbouwing. Juist die combinatie laat zien hoe Nederland internationale afspraken, kennis en beleid met elkaar verbindt.
De FAO en de OESO werken op verschillende manieren aan dezelfde grote opgaven: hoe houden landen voedsel beschikbaar, betaalbaar en veilig? Hoe kunnen landbouw en natuur beter samengaan? Hoe versterken landen hun economische en voedselzekerheidspositie? En hoe vertaalt Nederland internationale inzichten naar nationaal en Europees beleid?
Na afloop van een gezamenlijk evenement met de bilaterale landbouwraad, een groep private agro-partijen en studenten
Van technisch naar politiek
Voor Yvonne pakte haar periode in Rome anders uit dan zij vooraf had verwacht. ‘Ik dacht dat we vrij technisch op landbouwdossiers zouden werken’, zegt ze. ‘Maar een half jaar voordat ik begon, viel Rusland Oekraïne binnen. Dat had enorme effecten op de mondiale voedselmarkten, terwijl we nog niet echt uit de gevolgen van COVID waren.’
Daarmee werd het werk in Rome veel politieker. Niet alleen de inhoudelijke dossiers veranderden, ook de manier van werken. ‘Je bent soms veel tijd kwijt voordat je überhaupt met elkaar aan tafel zit en kunt beginnen aan de inhoud’, zegt Yvonne. ‘We hebben veel moeten coördineren binnen de EU, bijvoorbeeld rond de positie van Rusland. En nu zien we met de Verenigde Staten dat financiering wordt teruggetrokken. Activiteiten waar eerder overeenstemming over was, komen dan ineens onder druk te staan.’
Toch kijkt ze met tevredenheid terug. Een belangrijk moment was de eerste strategische beleidsdialoog op hoog niveau tussen Nederland en FAO. ‘Daar ben ik trots op’, zegt ze. ‘We hebben samen vastgesteld op welke thema’s we de komende jaren willen samenwerken, bijvoorbeeld watergebruik, voedselveiligheid en diergezondheid.’ Ook noemt ze de inzet van Nederland om biodiversiteit hoger op de agenda van FAO te krijgen. ‘Het is een mammoettanker die langzaam beweegt. Maar als je vier jaar terugkijkt, zie je wel degelijk dat er dingen zijn veranderd.’
Yvonne van Laarhoven bij de FAO Regional Conference in Tajikistan
‘Zonder goede analyses geen goed beleid.’
De OESO als economische denktank
Ook voor Jasper veranderde de context van zijn werk in Parijs. ‘Ik kwam terecht in een vrij vriendelijke setting, waarin landen goed met elkaar samenwerkten. Dat is veranderd. Ook binnen de OESO zie je dat sommige landen het werk van de organisatie willen hervormen of minder aandacht willen voor thema’s als klimaat en gender.’
De OESO is kleiner dan de FAO en telt 38 lidstaten. Dat maakt de dynamiek anders. ‘De OESO is in feite een economische denktank’, zegt Jasper. ‘Er worden analyses gemaakt op allerlei beleidsterreinen, behalve defensie. Voor landbouw betekent dat bijvoorbeeld dat landen hun beleid vergelijken, van elkaar leren en rapporten laten maken over thema’s als landbouwmarkten, handel, milieu en innovatie.’
Een concreet voorbeeld is de doorlichting van het Nederlandse landbouwbeleid. ‘Dan komt de OESO naar Nederland, spreekt met verschillende partijen en schrijft een rapport met aanbevelingen. Dat helpt om scherper te worden. Niet omdat de OESO het beleid voorschrijft maar omdat het een spiegel voorhoudt.’
Voor Jasper lag de meerwaarde van zijn werk vaak in het verbinden van Nederlandse vraagstukken met internationale analyse. Hij noemt onder meer arbeidsmigratie in de landbouw, geopolitiek en voedselzekerheid, landbouwsubsidies, de positie van boeren in de voedselketen en innovatiebeleid. ‘Zonder goede analyses geen goed beleid’, zegt hij. ‘Data en vergelijkingen tussen landen helpen om beleidskeuzes beter te onderbouwen.’
“One Team”-gedachte: ook de LVVN-raad moet wel eens een VIP begeleiden, Jasper Dalhuisen met Ahmed Marcouch en Anne Hidalgo tijdens een meeting van de OECD Champion Mayors for Inclusive Growth
Waarom deze organisaties ertoe doen
De waarde van FAO en OESO ligt volgens Yvonne en Jasper niet alleen in rapporten, vergaderingen of afspraken. Het gaat vooral om de mogelijkheid om landen bij elkaar te brengen rond vraagstukken die grensoverschrijdend zijn.
Yvonne: ‘FAO is de plek waar de hele wereld samenkomt om afspraken te maken over hoe we ons voedselsysteem inrichten. Hoe doen we dat op een regels gebaseerde en voorspelbare manier? In een volatiele wereld is dat moeilijker geworden, maar juist daarom belangrijk.’
Daarbij gaat het niet alleen om praten. FAO heeft ook een uitvoerende en technische rol. ‘Landen kunnen bijvoorbeeld hulp vragen om hun landbouw klimaatbestendiger te maken’, zegt Yvonne. ‘FAO kan dan projecten ontwikkelen, vaak met financiering uit internationale fondsen. De kracht zit in die dubbele rol: samen afspraken maken én landen helpen om die na te komen.’
Ze noemt voedselveiligheid als voorbeeld. Internationaal worden afspraken gemaakt over standaarden, zoals maximale residuen van pesticiden. Maar niet elk land heeft de kennis of capaciteit om daaraan te voldoen. ‘FAO kan dan technische assistentie bieden, bijvoorbeeld via projecten met boeren. Dat is belangrijk voor voedselveiligheid, handel en ontwikkeling.’
Voor Nederland is dat relevant omdat de Nederlandse agrofoodsector internationaal verweven is. ‘Het gaat niet alleen om primaire productie’, zegt Yvonne. ‘Nederland heeft ook veel te bieden op het gebied van zaden, plantmateriaal, technologie en kennis. Als landen hun landbouwsector ontwikkelen, kunnen Nederlandse kennis en producten daarin een rol spelen.’
‘Voor veel ontwikkelingslanden is FAO nog steeds dé plek waar zij over landbouw willen spreken.’
Analyse, data en beleidsvergelijking
Bij de OESO ligt de kracht vooral in analyse en vergelijking. ‘Je kunt als Nederland zelf allerlei landen bellen met de vraag hoe zij een bepaald probleem aanpakken’, zegt Jasper. ‘Maar één dag bij de OESO kan soms heel veel telefoontjes besparen. We hebben hier een secretariaat met veel kennis en landen die bereid zijn beleid van de OESO-landen naast elkaar te leggen.’
Dat is nuttig bij vraagstukken die in veel landen spelen. Arbeid in de landbouw is daar een voorbeeld van. ‘Er wordt vaak gezegd dat machines arbeid kunnen vervangen’, zegt Jasper. ‘Maar in sommige gevallen leidt mechanisatie nog tot fors oogstverlies. Dan moet je dus goed kijken wat technologie wel en niet kan, en welke gevolgen dat heeft voor beleid.’
Ook de positie van boeren in de voedselketen is een thema waarop landen van elkaar kunnen leren. Hoe versterken landen het verdienvermogen van boeren? Welke instrumenten werken wel, en welke niet? ‘Dat soort vragen kun je in OESO-verband goed analyseren’, zegt Jasper.
Waar FAO en OESO elkaar raken
Hoewel FAO en OESO verschillend werken, vullen ze elkaar op sommige dossiers aan. Een concreet voorbeeld is de OECD-FAO Agricultural Outlook 2026-2035. Deze publicatie brengt ontwikkelingen in landbouwmarkten wereldwijd in kaart. Voor Nederland is vooral de opname van groenten en fruit belangrijk.
Cover van de OECD-FAO Agricultural Outlook 2026-2035
‘Groenten en fruit zaten nog niet goed in die Outlook, terwijl dat voor Nederland een belangrijke sector is’, zegt Jasper. ‘Yvonne en ik hebben we ervoor gezorgd dat daar serieuzer werk van wordt gemaakt.’
Yvonne ziet daarin ook de waarde voor andere landen. ‘Voor collega’s uit bijvoorbeeld Latijns-Amerika was dit ook belangrijk. Zij wilden dit graag, maar er was niet vanzelfsprekend geld voor. Door Nederlandse inzet is er beweging gekomen.’
Daarnaast noemen beiden het werk rond verantwoord internationaal ondernemen. Ook daar komen economische analyse, beleidsontwikkeling en internationale voedselketens samen.
FAO veldbezoek in Oeganda bij een visverwerkingsbedrijf voor vrouwen
Van Rome en Parijs naar de praktijk
De multilaterale inzet van Nederland staat niet los van het werk van het LVVN Attaché Netwerk (LAN). De verbinding loopt twee kanten op. Internationale organisaties leveren analyses, signalen en beleidskaders die relevant zijn voor Den Haag en voor posten wereldwijd. Andersom brengen LVVN-raden en -attachés signalen uit landen en regio’s terug in de internationale beleidsvorming.
Bij de OESO is die lijn soms heel concreet. Jasper noemt studies over landen waar Nederlandse LVVN-raden actief zijn, zoals Egypte. ‘Als de OESO een studie schrijft over landbouw in Egypte, kan onze collega daar iets aan hebben. Zo probeer je over en weer informatie te gebruiken.’
Bij FAO werkt het anders, zegt Yvonne. ‘FAO maakt minder landenrapporten op de manier waarop de OESO dat doet. Maar als er programma’s of projecten in een land lopen die door Nederland worden gefinancierd, kan ik via het hoofdkantoor in Rome helpen om informatie boven tafel te krijgen. Ook rond grote internationale bijeenkomsten, zoals klimaat- of biodiversiteitstoppen zoals de COP in Brazilië, schakelen we met LVVN-raden in de regio.’
De samenwerking met het LAN is daardoor deels structureel en deels afhankelijk van thema’s, landen en concrete dossiers. ‘Het verschilt per land en per LVVN-raad’, zegt Yvonne. ‘Soms onderhouden zij zelf intensief contact met FAO-kantoren in hun land. Soms loopt het meer via Rome.’
Een thermometer voor de wereld
Multilateraal werken vraagt geduld. Besluiten komen vaak pas tot stand na lange onderhandelingen, soms zelfs over één woord of lidwoord. Dat lijkt technisch, maar volgens Yvonne zit daar juist veel betekenis in. ‘Soms denken mensen: wat zit je daar de hele dag over woorden te onderhandelen? Maar in die discussies zie je hoe landen denken. Als een land ineens bezwaar maakt tegen een bepaalde formulering, zegt dat iets. Dan moet je uitzoeken: waar komt die weerstand vandaan, welk belang zit daarachter, wat speelt er politiek? Het gaat dus niet alleen om tekst, maar om begrijpen wat er in de wereld gebeurt.’
Dat maakt de multilaterale vertegenwoordigingen in Rome en Parijs ook tot een soort thermometer. Zij laten zien welke thema’s landen belangrijk vinden, waar spanningen ontstaan en welke coalities mogelijk zijn. Yvonne: ‘Je kunt er soms op neerkijken omdat het traag is. Maar voor veel ontwikkelingslanden is FAO nog steeds dé plek waar zij over landbouw willen spreken. Als Nederland daar relevant wil zijn, moet je hen ook daar ontmoeten.’
Jasper herkent dat. ‘De grootste uitdaging is dat er zoveel gebeurt. Dan moet je steeds de vraag stellen: wat is belangrijk voor Nederland? Die lijn tussen Parijs en Den Haag, en met de rest van het netwerk, blijft cruciaal.’
Jasper Dalhuisen als voorzitter van de Landbouw- en Milieuwerkgroep van de OESO
Wat nemen zij mee?
Yvonne neemt uit Rome vooral een breder perspectief mee. ‘Ik ben hier begonnen met een Europees perspectief. Nu heb ik veel meer begrip voor hoe de landbouwsector er in de rest van de wereld uitziet, vooral op het Afrikaanse continent. Dat wil ik meenemen naar mijn volgende functie als LVVN-raad voor Kenia en Tanzania op de Nederlandse ambassade in Nairobi.’ Ook de multilaterale blik blijft. ‘Ik hoop te kijken of we ook lokaal meer kunnen samenwerken met kantoren van multilaterale organisaties. Die ervaring neem ik zeker mee.’
FAO veldbezoek in Oeganda bij een visverwerkingsbedrijf voor vrouwen
Jasper keert terug naar Den Haag, waar hij hoopt bij te dragen aan het versterken van economische kennis binnen LVVN. ‘Ik heb hier geleerd om breder te kijken en andere netwerken aan te boren. Multilateralisme zit inmiddels diep in mijn hart. En door de geopolitieke ontwikkelingen ben ik nog meer Europeaan geworden.’
Voor bedrijven, kennisinstellingen en LAN-collega’s hebben beiden een vergelijkbare boodschap: maak gebruik van de kennis die in deze organisaties wordt ontwikkeld, en kijk verder dan de eigen sector of het eigen dossier. ‘Gebruik die kennis om je eigen perspectief te verbreden’, zegt Jasper. Yvonne vult aan: ‘FAO is misschien traag, maar het is nog steeds de plek waar heel veel landen het gesprek over landbouw willen voeren. Je kunt dat negeren, maar dan mis je waar een groot deel van de wereld samenkomt.’
Jasper voor een van de aankondigingsbordjes van zijn afscheidsreceptie in het OESO-gebouw
Meer informatie en contact
Voor meer informatie over de PV FAO in Rome, neem contact op via:
Email: ROF@minbuza.nl
Voor meer informatie over de PV OESO in Parijs, neem contact op via:
Email: PAO-LVVN@minbuza.nl
Podcast-reeks en video over OESO
De podcast-reeks ‘De Wereld Aan Tafel’ gaat over thema’s als landbouwbeleid, economie, onderwijs en internationale samenwerking. Luister naar deze drie afleveringen gerelateerd aan het werk van PV OESO:
-
Roger Martini on Dutch Agriculture (Engels)
Bekijk ook de lancering van de nieuwste OECD-FAO Agricultural Outlook 2026 - 2035 op YouTube, over de vooruitzichten voor landbouwmarkten, inkomens- en prijsontwikkelingen voor de komende tien jaar.