In Frankrijk is het concept van microbossen ontstaan tegen de achtergrond van een sterke maatschappelijke behoefte aan participatieve acties. En om de stedelijke vergroening te intensiveren, als een oplossing om steden aan te passen om de gevolgen van klimaatverandering te kunnen opvangen en om het verlies aan biodiversiteit tegen te gaan.

Het concept micro- of minibos

Een goede manier van stedelijke vergroening zijn de micro- of minibossen. Het concept is van relatief recente datum (rond 2011) en verwijst naar het werk van de Japanse botanicus Akira Miyawaki. Het eerste project in Europa werd in 2015 in Nederland uitgevoerd. Ook in Frankrijk ziet men op diverse locaties minibossen ontstaan.

Maatschappelijke behoefte en ecologische voordelen

Stedelijke micro-bossen zijn in Frankrijk aan het evolueren van een voorzichtige trend naar een serieuze vergroeningsstrategie. De projecten genieten populariteit en ze creëren sociale waarde en buurtbetrokkenheid.

Echter, wetenschappelijk onderzoek toont aan dat de ecologische impact en het lange termijn rendement genuanceerd moeten worden. Door hoge sterftecijfers van jonge aanplant, door gebrek aan nazorg, en intensief onderhoud staat de beloofde ecologische impact—zoals hittebestrijding—nog ter discussie.

De toekomst lijkt te liggen in een integrale benadering, waarbij de bossen strategisch worden opgenomen in het stedelijke groenbeleid om echt bij te dragen aan klimaatbestendigheid.

Geografie van de Franse micro- en stadsbossen

De Franse organisatie Plante & Cité heeft 168 Franse microbossen onderzocht. 41 % van de projecten gaf expliciet aan geïnspireerd te zijn door de Miyawaki-methode.

Er blijkt een landelijke spreiding te zijn over 67 Franse departementen, voornamelijk in een stedelijke dichtbevolkte context, voornamelijk in:

  • Île-de-France (16%)
  • en in het westen van Frankrijk (16% in Pays de la Loire, 13% in Nouvelle-Aquitaine).

In 79 % van de gevallen is de grond waarop de microbossen zijn aangelegd eigendom van een lokale overheid zoals een gemeente, metropool of regio. Er is ook een klein aandeel particuliere (7 %) of educatieve (3 %) structuren.

Oppervlakte en plantendiversiteit

Wat de oppervlakte betreft, is twee-derde van de microbos aanplantingen niet groter dan 1.000 m² en 17% op oppervlaktes tussen 501 en 1.000 m², voornamelijk in woonwijken. De aanleg op grondoppervlaktes van 2.501 tot 5.000 m² is vooral te vinden op braakliggende landbouwgrond of langs wegen. En de grootste aanleggebieden (tot 3,5 ha) bevinden zich vooral in de bebouwde kom of op de grens tussen twee zones: stedelijk/landelijk en natuurlijk/verbouwd.

De aanplantdichtheid is slechts voor de helft van de locaties bekend, met overwegend een dichtheid van 2,5 tot 3 eenheden/m² (10 tot 20 keer hoger dan in bosrijke gebieden).

De diversiteit van de vegetatie (bomen, struiken, kruidachtige planten) wordt slechts in 36 % van de gevallen beschreven, met in totaal 98 verschillende soorten en 10 tot 70 soorten per locatie. In 45 % van de gevallen wordt verwezen naar „lokale“ planten, zonder dat daar noodzakelijkerwijs nadere details bij worden gegeven. De grootste diversiteit is te vinden onder de bomen: waaronder negen eikensoorten, zeven esdoornsoorten, vier lijsterbes- en kweepeerboomsoorten en vijf wilgensoorten.

SylvaDense, een driejarig project voor micro- en stadsbossen

Plante & Cité is gestart met het driejarige „SylvaDense”-project om stedelijke microbossen wetenschappelijk en technisch te onderzoeken, met focus op groei, biodiversiteit en thermische effecten.

Het initiatief is een samenwerking met UMR Biogéco (Inraé/Universiteit van Bordeaux) en krijgt financiële steun van het Franse Bureau voor Biodiversiteit (OFB) en de Nationale Vereniging voor Onderzoek en Technologie (ANRT).

Het project, dat loopt tot eind 2027, zal resulteren in een nationaal observatorium en een technische handleiding voor beheer.