‘Introductie Ingrid Korving, Landbouwraad voor Kenia en Tanzania’

Landbouwraden zijn wereldwijd op de economische afdelingen van 50 Nederlandse Ambassades werkzaam en bedienen meer dan 70 landen. Maak kennis met Ingrid Korving, Landbouwraad voor Kenia en Tanzania.

Ingrid Korving

Ingrid Korving

Ingrid Korving is in de zomer van 2017 begonnen als Landbouwraad op de ambassade in Nairobi. Zij is de opvolger van Bert Rikken die naar Brazilië is vertrokken en daar opnieuw als Landbouwraad voor het Nederlandse agrobedrijfsleven actief is.

Voor haar vertrek naar Afrika werkte Korving jarenlang op het ministerie van Economische Zaken. In haar laatste functie op het ministerie in Den Haag had zij als Regiocoördinator Afrika al veelvuldig contact met de landbouwraden

Zij heeft snel na aankomst kennisgemaakt met de minister van Landbouw van Kenia. “Dat was een open en informatief gesprek. De minister heeft veel respect voor de activiteiten die Nederlandse bedrijven de laatste jaren in Kenia hebben ondernomen, bijvoorbeeld in de sierteelt. Er zijn veel contacten tussen Nederland en Kenia en die relatie wordt door de Keniaanse overheid erg gewaardeerd. Er liggen mijns inziens, ook om die reden, veel kansen in Oost-Afrika voor Nederlandse agrobedrijven.”

Uw eerste indruk, is de landbouw een belangrijke economische sector in Kenia en Tanzania?
“Absoluut, de landbouw is een uiterst belangrijke sector, zo niet de allerbelangrijkste. Er moeten veel monden worden gevoed. De bevolking groeit snel en de koopkracht neemt toe, vooral in de opkomende middenklasse. De landbouw biedt aan veel mensen werkgelegenheid en inkomen. Voor de stabiliteit in Kenia en Tanzania is dat een randvoorwaarde. De overheden doen er veel aan om de agrarische sector verder te stimuleren en kijken daarbij met belangstelling naar Nederland. Voor de export is ons land cruciaal. Nederland is voor Kenia na Uganda het belangrijkste exportland. Dan gaat het vooral om producten uit de sier- en groenteteelt.”

Zijn er grote verschillen tussen Kenia en Tanzania?
“Die zijn er zeker. Kenia is erg exportgericht, vooral in de intensieve teelten zoals de rozen. Luchthaven Nairobi is de grootste cargohub in Afrika en dat heeft grotendeels te maken met de export van de rozen. In het algemeen kun je zeggen dat de regio Oost-Afrika aan het ontsluiten is door de vele ontwikkelingen in de infrastructuur. Dat biedt kansen voor het Nederlandse bedrijfsleven.

Kenia is gericht op export, Tanzania meer op afzet in eigen land en naar directe buurlanden. Maar ook in Tanzania gaan de landbouwontwikkelingen snel. De teelt van zaden en andere uitgangsmaterialen groeit , vooral in de omgeving van Arusha, een gebied in het noorden met een uitstekend landbouwklimaat.”

'Ook in Tanzania gaan de landbouwontwikkelingen snel'

Wat zijn belangrijke successen voor Nederland?
“Bij de opbouw van de hele sierteeltketen in Kenia heeft Nederland de afgelopen vijftien jaar een belangrijke rol gespeeld. De grote bedrijven zoals Flora Holland en Dutch Flower Group hebben hier allemaal een eigen kantoor. Hetzelfde zie je nu gebeuren in de pootgoedsector. Een aantal jaar geleden is de grens van Kenia opengegaan voor Nederlands pootgoed. Sindsdien gaan de ontwikkelingen snel. Inmiddels staan 34 Nederlandse variëteiten op de Keniaanse rassenlijst. Agrico vermeerdert hier zijn eigen pootgoed.

Van de ervaringen die zijn opgedaan in Kenia wordt nu in Tanzania dankbaar gebruikgemaakt. Ook daar zijn afspraken gemaakt over publieke en private samenwerking met Nederland. Die samenwerking is gericht op overdracht van landbouwkennis, maatregelen om de verliezen in de keten terug te dringen en bijvoorbeeld op de ondersteuning van TOSCI, de Keniaanse NVWA, bij de ontwikkeling van adequate fytosanitaire regelgeving en controle. Twaalf Nederlandse bedrijven uit de aardappelketen zijn bij deze samenwerking betrokken.”

Waar legt u komende tijd de nadruk op?
“Bij de overgang van de ene naar de andere landbouwraad mag geen gat vallen, de lopende dossiers moeten worden afgerond. Een daarvan is de certificering van Nederlands varkensvlees bij export naar Kenia.

Klimaat staat komende jaren hoog op mijn agenda. Klimaatverandering treft Oost-Afrika zwaar. Nederlandse bedrijven kunnen op het gebied van efficiënt watergebruik en bijvoorbeeld levering van droogteresistente rassen ondersteuning bieden. In de praktijk blijkt dat de Nederlandse technieken niet altijd aansluiten bij de vraag, bijvoorbeeld omdat de techniek te duur is. Ik zie het als mijn taak om bedrijven te informeren over de lokale behoeften in Kenia en Tanzania.

Als derde prioriteit wil ik de bestrijding van wildlife crime noemen, bijvoorbeeld door ondersteuning te bieden aan de autoriteiten in Kenia en Tanzania bij het platleggen van de export van ivoor. Dat is een basisvoorwaarde voor het behoud van olifanten en neushoorns in deze regio.”

Wat is uw belangrijkste advies aan Nederlandse bedrijven?
“Het geldt eigenlijk voor alle landen in Afrika, bedrijven die hier voet aan de grond willen krijgen, moeten uithoudingsvermogen hebben. Voor quick wins moet je hier niet zijn. Nog belangrijker: werk samen, vorm een cluster van bedrijven uit dezelfde keten en leg contacten met partijen in dit land, zowel publiek als privaat. De ketens uit de Nederlandse pootgoed- en sierteeltsector gaan uit van deze strategie. Dat blijkt succesvol.”